Monday, August 09, 2010

Nieuw krachtpunt aarde ligt in Nederland... Ey of Horus...






Oud-Egyptische wiskunde
A
Ahmose (schrijver)
E
Egyptische cijfers
H
Heqat
M
Moskou-papyrus
O
Oog van Horus
R
Rhind-papyrus


Ontvangen van "http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Oud-Egyptische_wiskunde"


Maät of Ma'at is in het Oude Egypte de aanduiding van het concept van waarheid, stabiliteit en rechtvaardigheid en kosmische orde. Het komt reeds in het 3e millennium v.Chr. in teksten voor. Maät wordt vanaf het Middenrijk de maatstaf voor de hoofdrol van de farao: de kosmische orde handhaven voor de vruchtbaarheid van het land en zijn bewoners.

In de Egyptische mythologie is Maät als godin de personificatie van deze concepten. Zij vertegenwoordigt van bij de aanvang van het universum de kosmische orde. Laat in haar ontwikkeling werd ze als dochter van de zonnegod Ra beschouwd. Haar goddelijke tegenhangster is Isfet, de chaos. Maät wordt vaak in het Egyptisch dodenboek vernoemd.

Heelal
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het heelal of universum in de astronomie ofwel de kosmos in de kosmologie zijn synoniemen voor alle materie en energie binnen het gehele ruimte-tijdcontinuüm waarin wij bestaan. Over het algemeen wordt aangenomen dat het heelal is ontstaan volgens de big-bangtheorie. Volgens de huidige stand van zaken van deze theorie is het heelal circa 13,7 miljard jaar geleden ontstaan.

Er valt voorts nog een onderscheid te maken tussen het zichtbare en het theoretische heelal. Het zichtbare heelal omvat dat deel van het heelal waarvan sinds het "begin der tijden" licht ons heeft kunnen bereiken. Omdat de snelheid van het licht eindig is, is ook het zichtbare heelal gemeten vanaf het "begin der tijden" eindig.

Inhoud [verbergen]
1 De big-bangtheorie
1.1 De grote-schaalstructuur
1.2 Plaats van de aarde in de kosmos
1.3 Sloan Digital Sky Survey
2 Het uiteindelijke lot van het heelal
3 Literatuur
4 Zie ook
5 Externe links


[bewerken] De big-bangtheorie
De Belgische astronoom Georges Lemaître introduceerde in 1927 de theorie dat het universum uitdijt, wat verklaarde dat ver van ons verwijderde sterrenstelsels een roodverschuiving vertoonden. De Amerikaanse astronoom Edwin Hubble vond twee jaren later experimenteel bewijs voor Lemaître's theorie. Hij bewees dat alle sterrenstelsels zich van ons verwijderen met een snelheid proportioneel tot de afstand ten opzichte van ons. Dit impliceerde dus ook een begin vanuit een bepaald punt en in 1931 verklaarde Lemaître dat het heelal met de explosie van een oeratoom was begonnen. Denigrerend werd deze theorie door de Britse astronoom Fred Hoyle "De big-bangtheorie" genoemd, maar de term is blijven hangen. Het belangrijkste bewijs voor de theorie werd in 1964 ontdekt door Penzias en Wilson die hiervoor de Nobelprijs kregen. Zij ontdekten namelijk (bij toeval; ze waren er niet naar op zoek) de achtergrondstraling die werd voorspeld door de big-bangtheorie.


Een foto van de achtergrondstraling 379.000 jaar na de big bang, gemaakt door het WMAP-team van de NASA. Aan de hand van de temperatuur van de kosmische achtergrondstraling gemeten door de "Cosmic Background Explorer" (COBE) kon worden berekend hoe oud het heelal is. Het moment van de oerknal werd bepaald op 15,556 miljard jaar geleden met een onzekerheid van 24 miljoen jaar. Recenter onderzoek met de Wilkinson Microwave Anisotropy Probe gaf echter een ouderdom van 13,7 miljard jaar met een onzekerheid van 1% (ca. 137 miljoen jaar).

[bewerken] De grote-schaalstructuur
Het zichtbare heelal is volgens hedendaagse kennis opgebouwd uit grote groepen superclusters en clusters, die samen met slierten sterrenstelsels (filamenten) een draderig netwerk vormen waartussen zich enorme superholtes bevinden. Deze clusters op hun beurt zijn opgebouwd uit honderden tot duizenden sterrenstelsels. Zo’n cluster kan een diameter hebben van wel enkele tientallen miljoenen tot honderden miljoenen lichtjaren.

De topologie van deze grote-schaalstructuur van het heelal, kan vergeleken worden met die van een zeepsop: de materie van het heelal bevindt zich in de dunne 'vlakke' gebieden, die de betrekkelijk 'lege' superholtes omsluiten. Op de grenzen van de vlakken bevinden zich de filamenten, uitgerekte slierten van sterrenstelsels en op de kruispunten van de filamenten vinden we de clusters. Een andere analogie is die van de spons, waar ook de 'lege' gebieden met elkaar zijn verbonden.